programmer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Deens

Woordafbreking
  • pro·gram·mer

Zelfstandig naamwoord

programmer, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van program


Engels

enkelvoud meervoud
programmer programmers

Zelfstandig naamwoord

programmer

  1. programmeur


Frans

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
programmer
programmais
programmé
eerste groep volledig

Werkwoord

programmer

  1. programmeren