profiteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·fi·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
profiteren
profiteerde
geprofiteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

profiteren [2] [3]

  1. inergatief ~ van baat hebben bij iets, winst boeken van iets
    • De speculanten trachtten te profiteren van de onzekerheid rond de euro. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen