Naar inhoud springen

profiteren

Uit WikiWoordenboek
  • pro·fi·te·ren
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voordeel trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • afgeleid van het Franse profiter (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
profiteren
profiteerde
geprofiteerd
zwak -d volledig

profiteren [3] [4]

  1. inergatief ~ van baat hebben bij iets, winst boeken van iets
    • De speculanten trachtten te profiteren van de onzekerheid rond de euro. 
    • En het is niet alleen de landbouw die profiteert van een hogere bevolkingsdichtheid. [5] 
     "Absoluut nodig", noemde parlementslid Augusta Montaruli van Meloni's partij het voorstel in een interview met persbureau Reuters. "Als iemand hoopt te profiteren van juridische onduidelijkheid, dan kan dat niet met ons." Op een verzoek van de NOS om die uitspraak te specificeren, wilde Montaruli niet ingaan.[6]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]