profiteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·fi·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
profiteren
profiteerde
geprofiteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

profiteren

  1. inergatief ~ van baat hebben bij iets, winst boeken van iets
    • De speculanten trachtten te profiteren van de onzekerheid rond de euro. 
    profiteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
    profiteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen