produceer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·du·ceer

Werkwoord

vervoeging van
produceren

produceer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van produceren
    • Ik produceer. 
  2. gebiedende wijs van produceren
    • Produceer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van produceren
    • Produceer je?