prioraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·o·raat
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van prior met het achtervoegsel -aat
enkelvoud meervoud
naamwoord prioraat prioraten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

prioraat o [1]

  1. (religie) het ambt van een kloosteroverste; bestuur van een klooster
  2. de woning van een prior

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen