primetime

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prime·time
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen primetime
verbogen
partitief primetimes

Bijvoeglijk naamwoord

primetime

  1. betrekking hebbend op de tijdsperiode dat de meeste mensen naar de televisie kijken
    • Vijf jaar na het schandaal rond haar ex Rafael van der Vaart waagt Sabia Boulahrouz zich in Duitsland aan een nieuw tv-avontuur. De 40-jarige socialite is vanavond primetime op de buis te zien in het realityprogramma Global Gladiators, waarvoor ze op reis werd gestuurd naar Thailand. [1] 
enkelvoud meervoud
naamwoord primetime
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

primetime m

  1. de tijd van de dag aangeduid die het gunstigst is voor het behalen van hoge kijkcijfers. Vanouds ligt die tijd tussen half acht en tien uur 's avonds en daarvan is de tijd tussen acht en negen uur voor een algemeen publiek de beste.
    • SBS 6 zakte op primetime door het ijs heen met Dance as One, de dansshow wist slechts 298.000 kijkers te boeien. [2] 
    • Drone Masters is door SBS6 van primetime afgehaald. Het programma, waarin bekende Nederlanders het tegen elkaar opnemen in de strijd om de titel beste dronepiloot, scoorde tot nu toe zeer matige kijkcijfers. [3] 
  2. drukste uur in het algemeen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen