primarius

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·ma·ri·us
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord primarius primarii
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

primarius m

  1. (muziek) (beroep) eerste violist van een orkest
     Als jongetje van twaalf zat ik al te turen in de wereldatlas. En ik merkte met een schok dat alle muziek die ik speelde uit Wenen kwam. Daarmee begon mijn levenslange belangstelling naar muziekculturen wereldwijd, aldus primarius David Harrington in de bijbehorende dvd-documentaire.[1]
     Het tweede deel is een aangrijpende klaagzang, adembenemend vertolkt door de primarius van het Dudok Kwartet.[2]
Hyperoniemen


Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.[3]


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Wereld: Kronos Quartet, Alim Qasimov e.a. - Music of Central Asia, vol. 8: Rainbow **” (14 april 2010), Het Parool
  2. Bronlink Weblink bron S. M. W. Bezemer “Recensie: Cd ”Solitude” van Dudok Kwartet” (03-10-2018), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be