primair

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·mair
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord primair
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

primair o

  1. (geologie) (verouderd) geologisch tijdperk met grote verscheidenheid van leven in de zeeën
    • Zo werd b.v. de afstand tussen sporeplanten en zaadplanten aanmerkelijk ingekort door de ontdekking van de Pteridospermen uit het primair; de klove die de naaktzadigen van de bedektzadigen scheidde werd aanzienlijk verengd door het vinden van de Cycaöidae uit het secundair. [5]
Schrijfwijzen
  • Vóór 2006 was de spelling Primair. In specialistische publicaties blijft volgens de Taalunie spelling met een hoofdletter mogelijk, zie hier.
Opmerkingen
  • Volgens de standaard van de Internationale Commissie voor Stratigrafie heet dit tijdperk "paleozoïcum"[6]
Synoniemen
Verwante begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen primair primairder primairst
verbogen primaire primairdere primairste
partitief primairs primairders -

Bijvoeglijk naamwoord

primair

  1. als eerste, de eerste plaats hebbende
  2. grondbeginselen betreffend
  3. de belangrijkste betreffend
  4. van oorsprong, oorspronkelijk
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen