primaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·maat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord primaat primaten
verkleinwoord primaatje primaatjes

Zelfstandig naamwoord

primaat m

  1. een zoogdier van de orde der primates op Wikispecies, waartoe apen en halfapen behoren
    • Ook de mens is een primaat. 
  2. een kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
    • Hij is aartsbisschop van Brussel en primaat van België. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord primaat -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

primaat o

  1. de omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
    • Daarmee wordt het primaat van de economische groei nog niet losgelaten. 
  2. oppergezag
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen