prijsde af

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prijs·de af
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
afprijzen

prijsde af

  1. enkelvoud verleden tijd van afprijzen
    • Ik prijsde af. 
    • Jij prijsde af. 
    • Hij, zij, het prijsde af. 


Gangbaarheid