pretendent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Simeon II voormalig Tsaar van Bulgarije die troonpretendent bleef en later premier werd van dat land!
Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·ten·dent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pretendent pretendenten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pretendent m [1]

  1. iemand die ergens aanspraak op maakt, vaak op een (koninklijke) titel of rang
    • EMANUELE FILIBERTO: De Italiaanse pretendent (38) trekt sinds het einde van zijn verbanning in 2003 alles uit de kast om te behagen. Hij trad op in reclames voor ingemaakte olijven, startte een „koninklijke” modelijn, walste in „Dansen met de Sterren” de huiskamers in aan de zijde van een Russische schone. In Londen is hij niet welkom. Op een festival in San Remo zong hij vorig jaar, in een zelfgeschreven lied: „Men kan van alles doen, ook zonder koning te zijn.” [2] 
  2. mogelijke opvolger die (later) een titel of rang overneemt
    • Korea-watchers hadden Kim Jong-un aanvankelijk niet in het vizier als pretendent. Zij keken vooral naar zijn broer en halfbroer, twee als lui bekendstaande playboys. Toen - als de berichten juist zijn - viel broer Kim Jong-nam uit de gratie omdat hij vergeefs had geprobeerd met een vals paspoort naar Japan te reizen voor een bezoek aan Disneyland in Tokio. Halfbroer Kim Jong-chol, die eerder dit jaar werd gesignaleerd bij een concert van Eric Clapton in Singapore, zou niet in aanmerking komen vanwege te 'vrouwelijk' gedrag. [3] 
  3. iemand die graag een liefdesrelatie met iemand wil beginnen
    • Een andere pretendent heeft zover bekend nooit het hart van Marta veroverd. Ze heeft verteld dat Sandro Pertini, de socialistische president van 1978-1985, haar elke ochtend belde voor een praatje en afsloot met: „Weet, Marta, dat u wordt bemind door een grote schilder en wordt aanbeden door een kleine president.” [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 22 april 2011
  3. Volkskrant COR SPEKSNIJDER 21 december 2011
  4. NRC Marc Leijendekker 12 augustus 2016