prest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prest
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
pressen

prest

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pressen
    • Jij prest. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pressen
    • Hij prest. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van pressen
    • Prest! 


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • prest
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord prestr, dat van het Latijnse zelfstandige naamwoord presbyter (= oude man, ouderling, priester) komt en Griekse bronnen heeft
Naar frequentie 2449
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   prest     presten     prester     prestene  
genitief   prests     prestens     presters     prestenes  

Zelfstandig naamwoord

prest, m

  1. (religie) dominee, priester (met theologische opleiding)
  2. (religie) priester
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: gå for presten
naar de voorbereiding voor de confirmatie gaan


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • prest
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord prestr, dat van het Latijnse zelfstandige naamwoord presbyter (= oude man, ouderling, priester) komt en Griekse bronnen heeft
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   prest     presten     prester     prestene  

Zelfstandig naamwoord

prest, m

  1. (religie) dominee, priester (mannelijke vorm), priesteres (vrouwelijke vorm) (met theologische opleiding)
  2. (religie) priester
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: gå for presten
naar de voorbereiding voor de confirmatie gaan


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

prest

  1. verouderde spelling of vorm van präst van vóór 1900
onbepaalde mannelijke vorm nominatief enkelvoud

Verwijzingen

  • SAOL i Projekt Runeberg
  • Svenska Akademiens ordlista över svenska språket (SAOL)
    • SAOL 6 (1889): prest, m
    • SAOL 7 (1900): präst, m, heden → g