presentje
Uiterlijk

- pre·sent·je
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ||
| verkleinwoord | presentje | presentjes |
het presentje o
- een klein cadeau
- En om cadeaus te geven, want met een verlanglijst die in totaal 90.000 dollar aan presentjes bevatte, werd er wel een tegenprestatie van de aanwezigen verwacht.[1]
- De Rotterdammers werden door de bezoekers wel in het zadel geholpen richting de overwinning. Centrale verdediger Pantelis Hatzidiakos verspeelde de bal na ruim een half uur op klungelige wijze aan Jean-Paul Boëtius, en de buitenspeler van Feyenoord wist wel raad met dat presentje.[2]
- Het woord presentje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "presentje" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ de Telegraaf 12-MAART-202018
- ↑ de Telegraaf 11 mrt. 2018
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be