preekte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • preek·te

Werkwoord

vervoeging van
preken

preekte

  1. enkelvoud verleden tijd van preken
    • Ik preekte. 
    • Jij preekte. 
    • Hij, zij, het preekte.