predicaatsadjectief
Uiterlijk
- pre·di·caats·ad·jec·tief
- samenstelling van predicaat en adjectief met het invoegsel -s-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | predicaatsadjectief | predicaatsadjectieven |
| verkleinwoord | predicaatsadjectiefje | predicaatsadjectiefjes |
het predicaatsadjectief o
- (grammatica) bijvoeglijk naamwoord dat dienst doet als naamwoordelijk deel van het gezegde
- In de zin "De hond is moe" is moe het predicaatsadjectief (naamwoordelijk deel) en in de zin "Zij dronk de soep heet" is dat heet
- Het woord 'predicaatsadjectief' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.