predator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·da·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord predator predatoren
predators
verkleinwoord predatortje predatortjes

Zelfstandig naamwoord

predator m

  1. (dierkunde) roofdier
Vertalingen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ˈpredətər/
enkelvoud meervoud
predator predators

Zelfstandig naamwoord

predator

  1. (dierkunde) roofdier