precieus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·ci·eus
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen precieus precieuzer precieust
verbogen precieuze precieuzere precieuste
partitief precieus precieuzers -

Bijvoeglijk naamwoord

precieus

  1. nauwkeurig, verfijnd
    • De schrijver beschrijft op precieuze wijze de voorwerpen. 
  2. bekakt, gemaakt deftig, overdreven fijnzinnig
    • Achter het raam zaten twee dames met precieuze gebaartjes thee te drinken. [1]
    • Meneer de wijnkenner. Gaat straks precieus zitten nippen aan mousserende vuiligheid, die de kruidenier nog niet voor een knaak zou durven verkopen. [2]
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. J. Bernlef, Buiten is het maandag
  2. S. Carmiggelt, Duiven melken & Alle orgels slapen