pramen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pra·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pramen
praamde
gepraamd
zwak -d volledig

Werkwoord

pramen

  1. overgankelijk heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)
    • Onbekenden hebben geprobeerd in te breken in een woning door de achterdeur open te pramen. [3]
    • Laurette Onkelinx meldde gisteren dat het ontbreken van een akkoord met Electrabel niet noodzakelijk een probleem hoeft te zijn. Met als adagio: als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Voor de poort van de zestien meldde ze dat er nog altijd een heffing opgelegd kan worden aan Electrabel als de Suezdochter niet tot een vrijwillige compensatie te pramen is. [4]
    • Of is het niet de grootste onbeleefdheid en onbescheidenheid, iemand met geweld te pramen meer te drinken, dan hy verdragen kan en zich ontevreden tegen hem toonen, indien hy het niet doet. [5]
    • Want God, de bron der klaarheid,
      Zoekt simpelheid en waarheid,
      En Hij vergeldt het boos geweld
      Van alle kwaân, die stout bestaan
      Onnoozelen te pramen.
       [6]
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

pramen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord praam

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Verwijzingen