Naar inhoud springen

praebere

Uit WikiWoordenboek
  • prae·bē·re
stamtijd
infinitief 1e pers. enk.
ind. praes. act.
1e pers. enk.
ind. perf. act.
supinum
praebēre praebeō praebuī praebitum
volledig

praebēre

  1. aanreiken, aanbieden
  2. geven, verlenen
  3. prijsgeven, overlaten
  4. (metaforisch) tonen, bewijzen
  5. veroorzaken