practica
Uiterlijk
- prac·ti·ca
- van het Latijn [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | practica | practica's |
| verkleinwoord | - | - |
- (scheepvaart) verlof om gemeenschap te openen tussen een schip en de wal na ontslag uit quarantaine
de practica mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord practicum
- Het woord practica staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "practica" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 92 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
| vervoeging van |
|---|
| practicar |
practica
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheepvaart in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 96 %
- Prevalentie Vlaanderen 92 %
- Woorden in het Spaans
- Woorden in het Spaans van lengte 8
- Werkwoordsvorm in het Spaans