Naar inhoud springen

practica

Uit WikiWoordenboek
  • prac·ti·ca
  • van het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord practica practica's
verkleinwoord - -

depracticav [2] [3]

  1. (scheepvaart) verlof om gemeenschap te openen tussen een schip en de wal na ontslag uit quarantaine

depracticamv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord practicum
96 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[4]


vervoeging van
practicar

practica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van practicar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van practicar