Naar inhoud springen

practica

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prac·ti·ca

Zelfstandig naamwoord

de practicamv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord practicum
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
practicar

practica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van practicar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van practicar