praats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • praats

Zelfstandig naamwoord

praats

  1. genitief mannelijk  van praat: weer ~ hebben niet meer ziek of ellendig zijn en daardoor de mond weer roeren
    • Na een tijdje op de bank gelegen te hebben kreeg hij weer aardig praats.