praatlustig
Uiterlijk
- Geluid: praatlustig (hulp, bestand)
- IPA: / pratˈlʏstəx / (3 lettergrepen)
- praat·lus·tig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | praatlustig | praatlustiger | praatlustigst |
| verbogen | praatlustige | praatlustigere | praatlustigste |
| partitief | praatlustigs | praatlustigers | - |
praatlustig
- geneigd zijn om veel te praten, een grote lust tot kletsen hebben, of veel willen vertellen
- ▸ Hij schuift aan, fris gedoucht na een veldtraining en een krachttraining. (…) Twee interviews deze woensdag, praatlustig als hij is na zijn twee goals vorig weekend tegen NEC.[2]
- Het woord praatlustig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron Steven Verseput“‘Ik deed dingen waar ik later droevig van werd’” (3 februari 2017) op nrc.nl