praalhans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • praal·hans
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord praalhans praalhanzen
verkleinwoord praalhansje praalhansjes

Zelfstandig naamwoord

praalhans m [2]

  1. (pejoratief) opschepper, snoever
     Terwijl ik gedachteloos aardappelpuree naar binnen lepelde, blies ik op trumpdonald.org met een trompet Donald Trumps sluike peroxidehaar in kapsels waar Johnny Rottens groenezeepstekels bij zouden verbleken. Dat zal die praalhans leren, dacht ik, terwijl ik zijn mondhoeken omlaag trompette en snuiflachend een spruitje op mijn vork prikte.[3]
     Soms zie je een praalhans in een duur pak, maar meestal is het net of de gasten zijn gekleed door het rampenfonds.[4]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. praalhans op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Balancerend op de grens van klootzakkerigheid en obscuur heldendom” (06/02/2016), HP de Tijd
  4. Bronlink Weblink bron Nick Muller “Schrijver Jan Cremer: ‘Het Boekenbal stelt niets meer voor’” (22/03/2019), HP de Tijd
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be