praal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • praal
enkelvoud meervoud
naamwoord praal -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

praal v/m

  1. opzichtige schoonheid
    • De praal van de feestjes van Paris Hilton is steeds een beetje overdreven. 

Werkwoord

vervoeging van
pralen

praal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen
    • Ik praal. 
  2. gebiedende wijs van pralen
    • Praal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen
    • Praal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.