précipiter
Uiterlijk
- Geluid: précipiter (hulp, bestand)
- IPA: /pʁe.si.pi.te/
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| précipiter |
précipitais |
précipité |
| eerste groep | volledig | |
précipiter
- overgankelijk naar beneden werpen; naar beneden doen vallen
- overgankelijk (scheikunde) bezinken; neerslaan; precipiteren
- overgankelijk versnellen; doen haasten; bespoedigen; sneller doen gebeuren
- [3] hâter
- [2] Nederlands: precipiteren