poter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·ter
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

poter [2]

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) vrij [3]
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) kwijt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poter poters
verkleinwoord potertje potertjes

Zelfstandig naamwoord

poter m [5]

  1. (landbouw) iemand die poot
  2. (gereedschap) werktuig waarmee men kan poten
  3. pootaardappel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·ter
Naar frequentie 36841

Zelfstandig naamwoord

poter

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van pote