postman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

postman
Uitspraak
Woordafbreking
  • post·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord postman postmannen
postlieden
postlui
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

postman m

  1. iemand die bij de posterijen werkt
    • Oud-postman Bertus, die na bijna vijftig jaar zonder bloemetje afscheid nam bij PostNL, heeft een goed gevoel overgehouden aan het gesprek met een directeur van het bedrijf. Die kwam vanmiddag op bezoek. [1] 
    • Brievenpost raakt uit de tijd, ook in Zuid-Afirka. Er wordt bezuinigd, en dat leidt nu tot staking. Maar postman Sam houdt stand. ‘Kunt u de post voor uw hele flat meenemen?’ [2] 
    • De onvrede zit echt diep.’ Hans* (50) is net terug van zijn postronde als hij ons ontvangt. Ook hij legde begin november het werk neer. Iedere postman had zijn grieven. Dat het anderhalve maand duurde voor er een akkoord was met de directie, kwam ook omdat vakbondsonderhandelaars zelf niet wisten hoe ze de angel uit de onvrede moesten halen. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Telegraaf 28 mrt. 2018 Alsnog bloemetje voor trouwe postman Bertus
  2. NRC Peter Vermaas 7 juni 2012 Postman Sam durft nog te werken
  3. De Standaard 29 DECEMBER 2018 ‘Als een werkgever al geen regenjas kan geven’