posten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pos·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
posten
postte
gepost
zwak -t volledig

Werkwoord

posten

  1. overgankelijk op de post doen
    • Onderweg naar zijn werk postte hij drie brieven. 
  2. inergatief op wacht staan
    • Hij postte al drie uur voor de winkel, maar er was hem nog niks verdachts opgevallen. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

posten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord post

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.