poppenkast

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Poppenkast
Uitspraak
Woordafbreking
  • pop·pen·kast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poppenkast poppenkasten
verkleinwoord poppenkastje poppenkastjes

Zelfstandig naamwoord

de poppenkastv / m

  1. (spel) getimmerte waarin een poppenspel wordt gespeeld
    • Ligt er een poppenkast op zolder? 
  2. (spel), (toneel) poppenspel dat hoort bij het onder [1] genoemde
    • We speelden poppenkast voor de klas. 
  3. (figuurlijk), (pejoratief) aanstellerij, schijnvertoning
    • De hele politiek is een poppenkast. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen