popel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·pel

Werkwoord

vervoeging van
popelen

popel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van popelen
    • Ik popel. 
  2. gebiedende wijs van popelen
    • Popel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van popelen
    • Popel je? 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.