popel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·pel

Werkwoord

vervoeging van
popelen

popel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van popelen
    • Ik popel. 
  2. gebiedende wijs van popelen
    • Popel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van popelen
    • Popel je? 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.


Duits

Uitspraak
  • IPA: /poːpl̩/
Woordafbreking
  • po·pel

Werkwoord

popel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs van popeln
  2. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van popeln
Synoniemen
  1. pople, popele
  2. pople, popele
Anagrammen


Fries

Zelfstandig naamwoord

popel

  1. (plantkunde) populier, poppel, peppel
Synoniemen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *pepelъ

Zelfstandig naamwoord

popel monbezield

  1. as; overblijfsel van iets dat verbrand is
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

popel

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord popelit