pomologie
Uiterlijk
- po·mo·lo·gie
- In de betekenis van ‘ooftkunde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1758 [1]
- afgeleid van het Latijnse pomum ('appel') met het achtervoegsel -logie [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pomologie | - |
| verkleinwoord | - | - |
- de leer van het fruit en de fruitsoorten
- Het woord pomologie staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "pomologie" herkend door:
| 31 % | van de Nederlanders; |
| 51 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "pomologie" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ pomologie op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be