polymeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·ly·meer
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verbinding uit gelijksoortige moleculen’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • met het voorvoegsel poly- met het achtervoegsel -meer [2]
stellend
onverbogen polymeer
verbogen polymere

Bijvoeglijk naamwoord

polymeer

  1. betrekking hebbend op de vorming van een polymeer
    • Deze polymere verbinding ontleedt gemakkelijk. 
enkelvoud meervoud
naamwoord polymeer polymeren
verkleinwoord polymeertje polymeertjes

Zelfstandig naamwoord

polymeer o

  1. (scheikunde) een reuzenmolecuul dat bestaat uit een sequentie van één of meerdere identieke of soortgelijke onderdelen die aan elkaar zijn gekoppeld
    • Het is niet juist om alle polymeren 'plastics' te noemen omdat zij lang niet allemaal plastisch te vervormen zijn. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen