politoert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·li·toert

Werkwoord

vervoeging van
politoeren

politoert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van politoeren
    • Jij politoert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van politoeren
    • Hij politoert. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van politoeren
    • Politoert!