pof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pof
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1776.[1]
  • [A] Klanknabootsend. Daarnaast Antwerps poef ‘moed, lust, fut’.
  • [B] Verbaalabstract bij poffen.
1, 2 enkelvoud meervoud
naamwoord pof poffen
verkleinwoord pofje pofjes

Zelfstandig naamwoord

[A] pof v

  1. bolstaande plooi in kledingstuk, inz. in mouw of korte broek
  2. brok veengrond
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] pof m

  1. doffe, zware slag; stoot
  2. krediet: op de pof kopen

Werkwoord

vervoeging van
poffen

pof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poffen
    • Ik pof. 
  2. gebiedende wijs van poffen
    • Pof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poffen
    • Pof je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen