poeieren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poei·e·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
poeieren
poeierde
gepoeierd
zwak -d volledig

Werkwoord

poeieren

  1. wederkerend zich ~ het aanbrengen van make-up.
    • De vrouw was zich aan het poeieren voor de spiegel. 
  2. overgankelijk poederen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be