plichtsgetrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plichts·ge·trouw
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen plichtsgetrouw plichtsgetrouwer plichtsgetrouwst
verbogen plichtsgetrouwe plichtsgetrouwere plichtsgetrouwste
partitief plichtsgetrouws plichtsgetrouwers -

Bijvoeglijk naamwoord

plichtsgetrouw [1]

  1. iemand die daadwerkelijk doet wat hij verplicht is te doen en wat men ook van die persoon mag verwachten
    • Onlangs sprak ik een oude bekende die inmiddels hoogleraar is aan een Amerikaanse top-universiteit. Hij was het afgelopen jaar voorzitter geweest van de toelatingscommissie, die uit tienduizenden aanmeldingen tweeduizend nieuwe eerste jaars moest selecteren. Plichtsgetrouw had zijn staf alle aanmeldingen bekeken. Juist toen hij zijn werk wilde afronden, kreeg hij bezoek van een stafmedewerker van het ‘Development Office’. Dit ‘Office’ gaat over de fondswerving van de universiteit. Licht beschroomd haalde de medewerker een lijstje uit zijn binnenzak, met daarop twintig namen. Natuurlijk, als voorzitter was hij verantwoordelijk voor de uiteindelijke beslissing, maar het zou goed zijn als hij toch nog naar deze namen wilde kijken. De namen op dat lijstje bleken uitstekende kandidaten, net zoals er onder de duizenden kandidaten die de commissie had moeten afwijzen ook veel uitstekende kandidaten zaten. Echter, deze kandidaten konden zich beroepen op de voorspraak van het ‘Office’. Het prijskaartje om op dat lijstje te komen: twintig miljoen dollar. Twintig miljoen voor twintig kandidaten, dat maakt 400 miljoen dollar, ruwweg het jaarbudget van een kleinere Nederlandse universiteit. [2] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Coen Teulings 18 januari 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be