pleziertocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ple·zier·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pleziertocht pleziertochten
verkleinwoord pleziertochtje pleziertochtjes

Zelfstandig naamwoord

pleziertocht m

  1. tocht die men voor zijn genoegen maakt
    • zij maakten een pleziertochtje op de fiets en hadden daarbij veel fietsplezier 

Gangbaarheid