plens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plens
enkelvoud meervoud
naamwoord plens plenzen
verkleinwoord plensje plensjes

Zelfstandig naamwoord

plens m

  1. grote hoeveelheid vloeistof
    • Er kwam een plens water van het tentdak af na de regenbui. 

Werkwoord

vervoeging van
plenzen

plens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plenzen
    • Ik plens. 
  2. gebiedende wijs van plenzen
    • Plens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plenzen
    • Plens je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be