Naar inhoud springen

pleister

Uit WikiWoordenboek
  • pleis·ter
1 enkelvoud meervoud
naamwoord pleister
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord pleister pleisters
verkleinwoord pleistertje pleistertjes

pleister

  1. (bouwkunde) o kalkmengsel om te gieten of muren mee te besmeren
  2. (medisch) v/m dun velletje zelfklevend verband dat op de huid geplakt wordt, ter bescherming bij een kleine wond of blaar of om iets tijdelijk aan het lichaam vast te maken
    • Als je je in je vinger gesneden hebt, kan je er beter een pleister op doen. 
  3. (figuurlijk) lapmiddel dat geen echte oplossing is
     "De beste manier om riffen te beschermen is het stoppen van de klimaatverandering", zegt koraaldeskundige Mark Eakin tegen persbureau AP. "Dat betekent dat we de uitstoot door het verbranden van fossiele brandstoffen moeten terugdringen. Al het andere is eerder een soort van pleister dan een oplossing."[3]
vervoeging van
pleisteren

pleister

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
    • Ik pleister. 
  2. gebiedende wijs van pleisteren
    • Pleister! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
    • Pleister je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]