plavuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pla·vuis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vloertegel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1453 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord plavuis plavuizen
verkleinwoord plavuisje plavuisjes

Zelfstandig naamwoord

plavuis m

  1. een tegel van steen, kunststof etc. om een vloer mee te bedekken
    • Hij liet de plavuizen van schrik uit zijn hand vallen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen