plantrekker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·trek·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plantrekker plantrekkers
verkleinwoord plantrekkertje plantrekkertjes

Zelfstandig naamwoord

plantrekker m

  1. (Belgisch) iemand die zich op een of andere wijze steeds uit de slag weet te trekken.
Verwante begrippen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.