plantengroei

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] plantengroei op een muur
Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ten·groei
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plantengroei
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

plantengroei m [1]

  1. (plantkunde) het in omvang toenemen van planten
    • De camera's horen bij de beveiliging van een illegale hennepkwekerij, die dinsdagochtend door de Achterhoekse politie is opgerold. In twee schuren worden in totaal 2200 hennepplanten aangetroffen. "Bijna oogstrijp" , is het oordeel van de agenten. De technische man van het energiebedrijf Nuon betitelt de voor de plantengroei noodzakelijke elektrische installatie als 'brandgevaarlijk'. [2] 
  2. (plantkunde) alle aanwezige planten in een bepaald gebied
    • Heel wat maren blijken 10 tot 20.000 jaar oud, al is het Eckfelder Maar, tussen Manderscheid en Daun, meer dan 40 miljoen jaar oud. ‘Het bekendst zijn de maren gevuld met water, maar die vormen een minderheid’, gaat Mandy van Leeuwen verder. ’In de Eifel zijn het er niet meer dan 11 van de bijna 80 maren. De andere zijn trockene Maare: moeras- of veengebieden, met een aparte plantengroei. Onlangs heeft een groep studenten nog een nieuwe maar ontdekt.’ [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Tubantia 12- maart - 2008
  3. de Standaard ZATERDAG 9 SEPTEMBER 2017