planning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van plannen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord planning planningen
verkleinwoord planninkje planninkjes

Zelfstandig naamwoord

planning o

  1. het opstellen van en werken volgens plannen
  2. uitgewerkt plan van de (deel)werkzaamheden die achtereenvolgens uitgevoerd moeten worden om een werk, project enz. op een bepaald tijdstip te hebben afgerond
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen