plancher

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Werkwoord

plancher

  1. (spreektaal) voor het bord moeten komen, overhoord worden [1]
  2. (spreektaal) een spreekbeurt houden [1]
  3. (spreektaal) zweten op iets
    «Ces lycéens sont censés plancher sur quatre sujets.»
    Die bovenbouwleerlingen worden geacht te werken aan vier onderwerpen. [1]

Verwijzingen