plancher

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

plancher m

  1. vloer
  2. (figuurlijk) drempel(waarde)

Werkwoord

plancher onovergankelijk

  1. (spreektaal) voor het bord moeten komen, overhoord worden [2]
  2. (spreektaal) een spreekbeurt houden [2]
  3. (spreektaal) zweten op iets
    «Ces lycéens sont censés plancher sur quatre sujets.»
    Die bovenbouwleerlingen worden geacht te werken aan vier onderwerpen. [2]

Verwijzingen