plafonner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| plafonner |
plafonnais |
plafonné |
| eerste groep | volledig | |
plafonner
- overgankelijk plafonneren; van een plafond voorzien; het plafond van iets bepleisteren
- overgankelijk (figuurlijk) van een maximum voorzien; begrenzen; limiteren
- ↑ plafonner (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.