pipeauter
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pipeauter |
pipeautais |
pipeauté |
| eerste groep | volledig | |
pipeauter
- (spreektaal) leugens verkondigen, leugens vertellen
- «Arrête de pipeauter sur ces braves gens!»
- Hou op leugens te verkondigen over die brave mensen!
- «Malek, il arrête pas de nous pipeauter.»
- Malek vertelt ons steeds leugens. [1]
- «Arrête de pipeauter sur ces braves gens!»