Naar inhoud springen

pioche

Uit WikiWoordenboek
  • pi·o·che
enkelvoud meervoud
naamwoord pioche pioches
verkleinwoord - -

depiochev/m

  1. (gereedschap) hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitel aan de andere zijde
     Ongeveer tegelijkertijd startten twaalfduizend arbeiders, pioche in de hand, met het graven van het kanaal. In 1681 kon een koninklijke bark voor het eerst varen van Toulouse tot terminus Sète.[1]
  • Het woord 'pioche' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
  • frequentie in teksten in het Nederlands uit België, op een 7-puntsschaal: [2]
        1
  • frequentie in teksten uit België, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [2]
        2
  1. Het Belang van Limburg in:
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, pioche
  2. 1 2 3
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    “Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, pioche


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pioche     la pioche     pioches     les pioches  

pioche v

  1. (gereedschap) pikhouweel