pinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pin·ken

Zelfstandig naamwoord

pinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pink
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pinken
pinkte
gepinkt
zwak -t volledig

Werkwoord

pinken

  1. met de pink verwijderen
    • Ontroerd pinkte zij een traantje weg. 
  2. knipperen van een lichtje
    • Het pinken van dit lampje wil zeggen dat de accu bijna leeg is. 
  3. (verouderd) knippen met de ogen
    • Met pinkende oogjes keek Jaapje om zich heen. [1]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Looy, J. van Jaapje (1917) S.L. van Looy, Amsterdam; p. 205; geraadpleegd 2014-06-01