pikeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·keur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pikeur pikeurs
verkleinwoord pikeurtje pikeurtjes

Zelfstandig naamwoord

pikeur m [3]

  1. (beroep) africhter van paarden
  2. (beroep), (sport) bestuurder van een sulky bij drafsport
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen