pieper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een duinpieper

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pie·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pieper piepers
verkleinwoord piepertje piepertjes

Zelfstandig naamwoord

pieper m

  1. een zangvogel uit het geslacht Anthus op Wikispecies
    • Piepers zijn vooral vogels van terrein met lage begroeiing en zingen terwijl de uit de lucht neerdalen. 
  2. (voeding), (informeel) aardappel
    • Staan de piepers al op? 
  3. een voorwerp dat een piepend geluid voortbrengt
  4. een zoen
    • Hij greep haar bij een roksplooi en lonkte smachtend in haar gezicht."Geef mij een pieper, Leentje," fluisterde hij.[2] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1904. J.E. Buschmann, Antwerpen 1904