pieper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een duinpieper

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pie·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pieper piepers
verkleinwoord piepertje piepertjes

Zelfstandig naamwoord

pieper m

  1. een zangvogel uit het geslacht Anthus op Wikispecies
    • Piepers zijn vooral vogels van terrein met lage begroeiing en zingen terwijl de uit de lucht neerdalen. 
  2. (voeding), (informeel) aardappel [2]
    • Staan de piepers al op? 
  3. (elektronica) apparaat dat een piepend geluid voortbrengt, bijv. om te waarschuwen
    • De piepers geven een signaaltje af dat je locatie verraadt als je onder de sneeuw bedolven ligt.[3] 
  4. (informeel) zoen
    • Hij greep haar bij een roksplooi en lonkte smachtend in haar gezicht."Geef mij een pieper, Leentje," fluisterde hij.[4] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen