piëdestal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pië·de·stal, pi·ede·stal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voetstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord piëdestal piëdestallen
piëdestals
verkleinwoord piëdestalletje piëdestalletjes

Zelfstandig naamwoord

piëdestal m en o

  1. voetstuk, zuilvoet
    • Dat werd op een piëdestal gezet. 

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen